Muntjak (Muntiacus reevesi)

///Muntjak (Muntiacus reevesi)

Muntjak (Muntiacus reevesi)

100.00 incl. BTW

1 op voorraad

schedel muntjak

Latijnse naam: Muntiacus reevesi

Afmetingen: +/_ 26x11x8 cm hoog

Herkomst: Ingekocht bij een schedelpreparateur

 

1 op voorraad

Artikelnummer: 17 Categorie:

Product Description

De Chinese muntjak (Muntiacus reevesi) is een kleine hertachtige behorende tot de muntjaks. De Chinese muntjak komt oorspronkelijk uit China, maar is ingevoerd in verscheidene landen in Europa, waar het nu de kleinste hertensoort is: voornamelijk in Groot-Brittannië en Frankrijk, maar ook op de Veluwe en in Brabant komen ze voor. Ook in België (Vlaanderen) duikt de soort sinds 2000 meer en meer op, al is ook hier onduidelijk of de dieren zich in het wild voortplanten. De soortaanduiding reevesi dankt het dier aan John Reeves, die het typespecimen ving.

De Muntiacus reevisie is door de Europese Unie opgenomen in de lijst van ‘Invasive Alien Species’ en dient derhalve bestreden te worden, door jacht, vangen of andere vorm, volgens de uitvoeringsverordening van de commissie.[2]

Kenmerken

Het is een klein dier met een schouderhoogte van circa 43 tot 50 centimeter en een kop-romplengte van 80 tot 90 centimeter. Het mannetje is wat steviger gebouwd dan het vrouwtje, en weegt gemiddeld zo’n vijftien kilogram. Vrouwtjes hebben een gemiddeld lichaamsgewicht van ongeveer twaalf kilogram.

De vacht is donkerkleurig roodbruin tot kastanjebruin van kleur met wit aan de kin, keel en romp en een wittige tot gelige buik. De staart is rossig. Vrouwtjes zijn wat lichter van kleur dan de mannetjes. In verhouding met andere hertachtigen hebben ze een vrij lange staart, ongeveer vijftien centimeter lang, die bij alarm omhoog gaat. Het mannetje heeft een kort gewei, bestaande uit een enkele stang van acht tot tien centimeter, dat naar achteren gericht is. De bovenste hoektanden van het mannetje steken als twee kleine slagtanden naar buiten. Het vrouwtje heeft geen gewei, op de plaats van het gewei heeft zij een bosje haar.

De voetafdruk van de muntjak is kleiner dan 2cm breed en kleiner dan 3 cm lang en asymmetrisch. De ree heeft ter vergelijking een symmetrische voetafdruk van 3 tot 4 cm breed en minder dan 4,5 cm lang. De keutels van de muntjak hebben een lengte van 6 tot 13 mm en een doorsnede van 5 tot 11 mm. Die van de ree respectievelijk 10 tot 14 mm en 7 tot 10 mm.

De muntjak blaft luid en hees, terwijl reeën luide, korte, schorre blafjes met tussenpozen uitstoten.

Voedsel en leefwijze

Muntjaks leven van de bladeren van struiken en klimplanten, en van vruchten en noten als bessen, eikels en kastanjes. Ook eten ze boomschors. Gras en kruiden vormen enkel in de lente en de vroege zomer een belangrijk onderdeel van het dieet. De dieren zijn zowel overdag als ’s nachts actief, maar laten zich voornamelijk in de schemering zien.

Chinese muntjaks leven over het algemeen solitair. Jonge volwassen vrouwtjes blijven meestal nog een tijdje bij hun moeder en vormen zo familiegroepjes; jonge volwassen bokken trekken meestal naar nieuwe gebieden. De woongebieden van vrouwtjes overlappen meestal met elkaar. Het grotere territorium van het mannetje overlapt over het algemeen gedeeltelijk het woongebied van vrouwtjes, maar niet het territorium van andere mannetjes.

Chinese muntjaks maken een blaffend geluid. Vooral in de bronsttijd laten ze dit blaffen regelmatig horen. Bij gevaar maken ze een klikkend geluid en steken ze de staart op. De belangrijkste vijand is de vos, die soms een kalfje grijpt.

Voortplanting

Na een draagtijd van 210 dagen wordt een kalf geboren. Soms heeft het vrouwtje twee worpen in één jaar. Het kalf heeft bij de geboorte een geelgevlekte vacht, wat dient als camouflage. Deze verdwijnt na acht tot twaalf weken. De eerste paar weken houdt het jong zich verborgen in de vegetatie. De zoogtijd duurt meestal zo’n twaalf weken, alhoewel hij daarna soms nog wordt gezoogd. Vrouwtjes zijn na tien maanden geslachtsrijp, mannetjes later. De oudst bekende leeftijd is negentien jaar in gevangenschap.

Verspreiding

De Chinese muntjak komt oorspronkelijk voor in Zuid-China en Taiwan. De soort is op enkele plaatsen in Europa ingevoerd en leeft hier in parken. In Engeland en Frankrijk zijn er dieren ontsnapt, die daar nu in dichte, gemengde loofbossen met veel en gevarieerde, lage begroeiing leven. Vooral in Engeland is het dier vrij algemeen en zijn verspreidingsgebied strekt zich meer en meer uit.